Algemeen / Slag om Arnhem
|
We kregen een groots welkom van de bevolking toen we richting Arnhem trokken, maar spoedig hadden de Duitsers door wat onze bedoeling was en sloten zij alle wegen naar Arnhem af. In hun haast zagen zij aanvankelijk de zuidelijke toegangsweg langs de rivier over het hoofd en lukte het mij met mijn bataljon langs deze weg door te dringen tot het noordelijk deel van de Rijnbrug, nog net voordat het donker werd. Nu moesten we proberen de brug over te steken teneinde de zuidelijke oprit in handen te krijgen, want we waren bang dat de Duitsers de brug zouden opblazen, net zoals zij gedaan hadden met de spoorbrug in Oosterbeek. Het was daarom nodig dat wij de draden die leidden naar de springladingen onbruikbaar maakten. Maar toen wij trachtten de brug over te steken, openden de Duitsers vanaf de zuidelijke oprit het vuur en doodden of verwondden iedereen die zij zagen. Er ontstond een verwoed gevecht dat duurde van zondag tot donderdagmorgen. Door allerlei oorzaken werkten onze radio's nauwelijks, zodat wij slecht op de hoogte waren van wat zich elders afspeelde. We hadden een postduif bij ons die we loslieten met een bericht voor Engeland, waarin wij meldden dat het noordelijk deel van de brug in onze handen was. De duif heeft voor zijn betoonde moed een onderscheiding gekregen! De Duitsers deden verwoede pogingen ons van de brug te verdrijven, maar wij hielden de gebouwen rondom de noordelijke oprit onder controle, ofschoon zij op maandagmorgen probeerden ons met een groep pantserwagens vanuit het zuiden te verrassen. Voortdurend hoopten we dat er versterking zou komen vanuit Oosterbeek en van het Engelse Tweede Leger uit de richting Nijmegen, maar behalve steeds meer Duitsers, kwam er niemand. Zij beschoten onze posities met alle kanonnen waarover zij beschikten, vielen aan met zware tanks en trachtten ons met hun infanterie te overmeesteren. Ons grootste probleem was dat we een tekort aan munitie hadden, omdat we alleen maar beschikten over wat we op zondag meegenomen hadden en er van aanvulling geen sprake was. Geleidelijk nam het aantal slachtoffers toe en de kelders van de huizen lagen vol met gewonden. Spoedig kregen we gebrek aan water en tot overmaat van ramp begonnen de Duitsers de huizen, waarin wij stand hielden, in brand te steken. Op maandagavond waren de meeste huizen verwoest en in de nacht van dinsdag op woensdag leken alle straten rondom de brug in brand te staan. Het geknetter van het brandend hout was net zo luid als het bombardement van de vijand. Op woensdagmorgen raakte ik gewond. Dit had geen invloed meer op het gevecht omdat leiding geven onmogelijk was geworden. Er was een groot gebouw bij de brug dat een sleutelpositie innam bij de verdediging en waar wel 200 gewonden in de kelders lagen. Dit gebouw vatte in de loop van woensdag vlam. Het was onmogelijk de brand te blussen en dit betekende dat, als er niets gebeurde, al deze mensen levend zouden verbranden. Ik gaf onze dokters toestemming naar buiten te gaan om contact te zoeken met de Duitsers en een regeling te treffen, want er waren onder de gewonden ook veel Duitsers. Zij gingen akkoord met een staakt het vuren en spoedig deden de partijen, die elkaar op leven en dood bevochten, alles wat mogelijk was om de gewonden te redden. Toen dit voorbij was begon het gevecht opnieuw, maar het was voor de overlevenden een hopeloze zaak geworden omdat verdere verdediging onmogelijk was. Bijna alle huizen waren verwoest, zodat we geen bescherming meer hadden. De overmacht van de Duitsers was te groot en we hadden vier dagen niet meer kunnen slapen en bovendien gebrek aan voedsel, water en munitie. Op donderdag werden de schamele resten van het 29 Parachutistenbataljon onder de voet gelopen en krijgsgevangen gemaakt. Nadat ik van mijn verwondingen hersteld was, werd ik naar een krijgsgevangenkamp, genaamd Colditz, gestuurd. In het voorjaar van 1945 worden we door de Amerikanen bevrijd en naar Engeland gevlogen. Toen we de Engelse kust naderden, riep de gezagvoerder over zijn schouder: "Daar Overste, daar zijn de White Cliffs van Dover!" Ik was, na een afwezigheid van ongeveer negen maanden, weer veilig thuis! |